zaterdag 11 april 2009

Hoe kan ik een beter proefwerk maken

Hoe kan ik een beter Proefwerk maken? Versie klas 2
Twee soorten vragen
Vragen uit proefwerk over de Reformatie.
Oefenen met het boek.
Aan de slag met het geschiedenisboek

1) TWEE SOORTEN VRAGEN
In een proefwerk vind je twee soorten vragen:
Reproductievragen. Het antwoord op de vraag kun je uit je hoofd leren, of met een ander woord: reproduceren. Dit zijn de makkelijkste vragen. Je krijgt er dan ook minder pounten voor dan voor de inzichtvragen.
Inzichtvragen.
Inzichtvragen zijn voor de meeste leerlingen lastiger. Dat komt omdat je iets meer moet dan alleen de kennis herhalen die in je boek staat. Bij een inzichtvraag moet je op basis van de kennis die je hebt iets extra’s doen. Hoe bedoel je iets extra’s? Nu, dat zit zo.

Vragen over een bron.
Op een proefwerk kan je bronnen krijgen (beeld of tekst) die je nog niet eerder gezien hebt. Lees of bekijk ze goed. Laat in je antwoord zien dat je de bron begrepen hebt door een relevant stukje uit de bron te citeren of als het een afbeelding is, de afbeelding te beschrijven. Met behulp van de bron moet je een verband leggen met iets dat je geleerd hebt. Ik zal dat hieronder in een paar voorbeelden laten zien.

Verbanden leggen. Een verband leggen tussen verschillende zaken die je geleerd hebt, vereist ook meer dan alleen reproduceren van kennis. Zie hieronder voor een voorbeeld.

Je verplaatsen in de denkwijze van de mensen uit die tijd.
Dit is ook meer dan alleen reproduceren. Er wordt van je verwacht dat je probeert te verplaatsen in bijvoorbeeld de jagers-verzamelaars en Egyptenaren. Waar geloofden die mensen in? Hoe zagen zij de wereld?

Goed taalgebruik en een goede vaardigheid in begrijpend lezen
Begrijpend lezen is heel belangrijk voor het vak geschiedenis.
Je moet goed de vraag begrijpen. Waar wil de vraag heen? Wat moet ik allemaal beantwoorden. Je moet de bron goed begrijpen anders kun je de bron nooit goed verwerken in je antwoord.
Wie veel boeken leest heeft dus een stapje voor bij geschiedenis, omdat veel lezen het tekstbegrip bevordert. Uit die tv en pak dat boek!


Goed taalgebruik
Je moet een duidelijk antwoord formuleren. Vaak moet je een redenering geven, verbanden aantonen. Veel leerlingen denken dat je met een woord klaar bent. Dat is geen antwoord, maar een losse kreet.

2) VOORBEELDEN

In het afgelopen proefwerk was dit de eerste vraag.,

Vraag 1:
Rond 1500 waren de Middeleeuwen ten einde. Op allerlei gebieden werd een nieuwe tijd merkbaar.
a. Noem drie ontwikkelingen, naast de Reformatie, die belangrijk waren voor het ontstaan van deze Nieuwe Tijd. 

Dit is een leervraag. Staat gewoon in de inleiding.

- Ontdekkingsreizen. Wereld veel groter dan gedacht. 

- Kunst en wetenschap nietr alleen om god te dienen, maar om leven te veraangenamen. (Renaissance)

- Steden groeiden en werden door handel steeds rijker. 

- De mens werd een individu. 


b. Leg uit waarom de Reformatie een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het beƫindigen van de Middeleeuwen. (2p)

Leervraag:
- Ze viel de macht van de katholieke kerk aan die gedurende de hele Middeleeuwen dominant was geweest.

c. Welke overeenkomst bestaat er tussen Reformatie en de Renaissance wat betreft hun inspiratiebron? (2p)

Leervraag. Verteld in de les. 

- Beiden hallen hun inspiratie uit het verleden. De renaissance uit de Oudheid. De Reformatie uit het vroege Christendom.

- Beiden leggen de nadruk op het individu. In Middeleeuwen was de groep belangrijker.

De vraag hieronder is natuurlijk ook een reproductievraag. Leren = goed hebben. 

Vraag 7. Ook een leervraag. Antwoorden stonden letterlijk in het boek. Slecht gemaakt. Zoek zelf de antwoorden maar op.

a. Noem twee redenen waarom Karel V de paus steunt in zijn strijd tegen Luther. (2p)


b. Leg aan de hand van twee maatregelen bij het concilie van Trente uit hoe de katholieke kerk de protestanten wil verslaan. (2p)


Vraag 3 was een stuk lastiger. Bij deze vraag moet je
- aandachtig beschrijven wat je op de bron ziet of wat je in de bron kan lezen. 
- De inhoud van de bron combineren met de vraagstelling.

- Vaak wordt er gevraagd wat de mening is van de schrijver/tekenaar van de bron. Je moet dus de vaardigheid hebben je te verplaatsen in de maker van de bron. 


3. 
a. Gebruik bron 4. 
Geef met behulp van bron 4 twee redenen aan waarom de aflatenhandel volgens Luther een leugen was van de katholieke kerk. (2p)

Let op: maak duidelijk gebruik van de bron. 

- Er staat dat je duidelijk gebruik moet maken van de bron. Doe dat dan ook!

- Citeer een gedeelte uit de bron dat relevant is voor het antwoord. Leg tevens uit waarom dat citaat belangrijk is. Alleen citeren is dus niet voldoende. 

- Antwoord: in regel 6 stelt Luther dat ‘de paus kan geen enkele schuld vergeven tenzij door te verklaren en te verzekeren, dat ze door God vergeven is.’ Hieruit blijkt dus dat niet de kerk, maar aleen Gopd zelf zonden kan vergeven. Het kan dus niet zo zijn dat de kerk aflaten schenkt waarin staat dat de zonden van de gelovigen vergeven zijn.

- Tweede reden: probeer dat zelf mooi te formuleren.




Bron 4: UIT DE 95 STELLINGEN VAN LUTHER

Onze Heer en meester Jezus Christus heeft, toen hij zeide: "Bekeert u, enz." bedoeld, dat het hele leven van de gelovigen een bekering-en-boetedoening moet zijn.
Dit woord kan niet opgevat worden als betrekking hebbend op de sacramentele boetedoening (dat is de biecht en de satisfactie, die door de priesters ambtshalve worden bediend).
Toch bedoelt Hij niet alleen de innerlijke, welnee, innerlijke boetedoening is geen boetedoening, als ze naar buiten niet allerlei kastijdingen van het vlees uitwerkt.
De boete duurt dan ook, zolang het zelfverwijt duurt (dat is de ware innerlijke boetedoening), te weten tot op de drempel van het koninkrijk der hemelen.
De paus wil en kan geen enkele boete kwijtschelden, behalve die hij ingevolge zijn eigen oordeel of ingevolge de regels van het kerkelijk recht heeft opgelegd.
De paus kan geen enkele schuld vergeven tenzij door te verklaren en te verzekeren, dat ze door God vergeven is, of het moest zijn, dat hij vergeeft in gevallen, die tot zijn bevoegdheid behoren; als dit over 't hoofd gezien werd, zou de schuld zonder meer blijven.
Zij, die leren, dat voor het vrijkopen van zielen of biechtbrieven berouw niet nodig is, prediken geen christendom.
Iedere willekeurige christen, die waarlijk berouw toont, heeft volledige kwijtschelding van straf en schuld; die komt hem ook zonder aflaatbrieven toe.
Iedere willekeurige waarachtige christen, hetzij levend, hetzij dood, heeft deel aan alle goede gaven van Christus en de kerk; die worden hem ook zonder aflaatbrieven gegeven door God.

b. Gebruik de bronnen 5 en 6. (2 leer 2p )
Geef voor beide bronnen aan waarom ze te maken hebben met de kritiek van Luther op de katholieke kerk. 

Tip
- Beschreef eerst wat je ziet. Daar ligt vaak al een deel van het antwoord
.
Antwoord

Bron 5: luxe, grote kerk (St. Pieter, maar dat hoeft er niet per se bij).

Bezwaar Luther: rijkdom van de kerk moet naar de armen gaan niet naar luxe kerken. 



Bron 6: we zien hier hoe beelden in de kerk kapot gemaakt worden (Beeldenstorm). 
Luther zei dat in de bijbel stond dat je geen afbeeldingen van het heilige mocht maken. De volgelingen van Luther namen deze kritiek erg letterlijk en mepten allerlei beelden kapot.


Bron 5:



Bron 6: De beeldenstorm
(staat in je boek)




3) OEFENEN MET HET BOEK


Neem sowieso de bijgevoegde instructie door met de titel ‘Aan de slag met het geschiedenisboek’. Zie de volgende pagina.
Oefenen met bronnen
In het boek staan zowel beeldbronnen als tekstbronnen. Bestudeer deze aandachtig.
- Train jezelf de beeldbronnen te beschrijven. Wat kun je zien? Wat vertelt deze bron je over de Grieken, Egyptenaren, Romeinen, Reformatie, Renaissance enz.?

Bij de tekstbronnen? Stel jezelf de vraag wat de kern van de tekst is? Welke visie kun je uit de tekst halen? Welk standpunt heeft de schrijver van de bron?
Maak de vragen bij de paragrafen. In de les komen we er niet toe de vragen te bespreken. Daartoe hebben we nakijkmappen in lokaal 207 staan. JE KUNT ZELF JE ANTWOORDEN NAKIJKEN en zodoende leren hoe je je beantwoording van de vraag kan verbeteren.
Overhoren. Vraag aan degene die je overhoort vragen te stellen die verder gaan dan alleen opsommen van feitjes. Laat ze vragen stellen over de bronnen uit het boek. Laat ze vragen welk verband er bestaat tussen bijvoorbeeld ‘democratie’ en het wij-gevoel van de Atheners. Laat ze vragen naar verschillen en overeenkomsten met andere hoofdstukken (zie de rode draad).
Dalton: voor degene die extra oefening nodig hebben: maak een afspraak met me. We kunnen dan bijvoorbeeld oefenen met het beschrijven van de bronnen uit het boek. Ik kan je overhoren. We kunnen samen vragen uit het boek maken. DOEN.




4) AAN DE SLAG MET HET GESCHIEDENISBOEK

Inleiding: 
Veel van jullie vinden het lastig precies te weten wat je nu moet leren bij geschiedenis. Moet ik de jaartallen weten en al de namen en plaatsnamen en oorlogen en weet ik wat meer? Soms wel, soms niet. Het gaat erom dat je de kern uit de tekst haalt, datgene dat echt belangrijk is. Hoe je dat doet is niet zo makkelijk. We gaan dit jaar veel aandacht besteden aan de vaardigheid de kern van de het hoofdstuk in een samenvatting op te schrijven. Gelukkig helpt het boek ons daar ook bij. 

Hoe helpt het boek bij het maken van een samenvatting:

1. Op de eerste pagina vind je een tijdbalk. Die geeft je belangrijke info over welke tijd het gaat! 


2. Vergeet bij het leren de Rode Draad niet!! Hierin staat het verband (de rode draad) met andere hoofdstukken. Vaak staat er ook in wat de kern van het hoofdstuk is. 


3. Vergeet bij het leren de inleiding niet! De inleiding wil aan de hand van een verhaal interesse wekken voor het hoofdstuk. Vaak staan er veel details in die je niet hoeft te leren

De inleiding sluit af met de hoofdvraag. Die is natuurlijk superbelangrijk. Je hebt het hoofdstuk pas goed geleerd als je uit je hoofd de hoofdvraag kan beantwoorden.


4. Elke paragraaf begint met een deelvraag. Schrijf deze telkens op in je samenvatting. Maak je samenvatting zo dat het antwoord op de deelvraag erin staat. 


5. In de tekst staan roodgedrukte woorden. Die moet je ALTIJD uit je hoofd leren. 


6. Vergeet bij het leren van het hoofdstuk niet de plaatjes te bestuderen. Op toetsen krijg je vaak vragen over plaatjes, ook over plaatjes die je nog nooit eerder gezien hebt. Leer jezelf dus om zoveel mogelijk informatie uit een plaatje te halen.


7. Belangrijk!!! Aan het einde van elk hoofdstuk staat de Afsluiting. Punt 4 is handig om te gebruiken voor het maken van een samenvatting. Hier staan namelijk vragen over het hoofdstuk die je moet kunnen beantwoorden. Een goede methode om een samenvatting te maken is om in het boek de antwoorden op deze vragen op te zoeken en op te schrijven.


8. Als laatste stap in de voorbereiding op de toets kun je met de CD-Rom aan de slag. Hier kun je een puzzel maken die alleen kunt oplossen als je over voldoende kennis bezit. Ook worden de begrippen in een filmpje uitgelegd.
Lees ook eens pagina 4 en 5 (in de nieuwe druk). Daar staat hoe het boek Pharos in elkaar zit. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten