Willem van Oranje in koelen bloede vermoord
Delft, 10 juli 1584
Uit de bekentenis van de dader
Balthasar Gerards
Na al eens tevergeefs in Delft geweest te zijn, keerde Balthasar Gerards, een jonge edelman uit Bourgondië, begin juli 1584 terug naar Delft met het vaste voornemen om, uit naam van Filips II, Willem van Oranje uit de weg te ruimen. Nu kwam hij vanuit Frankrijk, met een brief waarin aan prins persoonlijk het overlijden van de hertog van Anjou, kort tevoren nog de landvoord over de Nederlanden, bekend werd gemaakt. Op het moment dat Gerards deze brief persoonlijk aan Oranje overhandigde, had hij tot zijn grote spijt geen wapen bij zich.
‘En sindsdien heb ik alle mogelijke middelen overwogen om mijn onderneming tot een goed einde te brengen. En ik heb vastgesteld dat er geen beter middel was dan op d prins van Oranje een pistoolschot te lossen op het moment dat hij naar de preek zou gaan, of wanneer hij beneden zou gaan eten, dan wel wanneer hij de maaltijd zou verlaten. En om dit voornemen uit te voeren heb ik gisteren twee pistolen gekocht. Ik heb de een gevuld met drie kogels en de ander met twee. Vandaag heb ik het pistool waar drie kogels in zate, leeggeschoten tegen de buik van de genoemde prins van Oranje. Gehinderd door zijn hellebaardiers, ben ik niet in staat geweest het tweede schot te lossen, wat me erg spijt en verdriet doet.
Delft in rouw gedompeld
10 juli 1584
Uit een anoniem pamflet
Al meteen in de dagen na de moord verscheen een pamflet onder de titel ‘Copie uit Delft’, waarin een goed ingevoerd persoon, mogelijk iemand uit de intieme kring rond Willem van Oranje, in briefvorm verslag deed van de gebeurtenissen meteen na de moordaanslag.
Met droefheid schrijf ik u, mijn goede vriend N., hoe hier zo deerlijk is omgekomen onze edele prins van Oranje, door ene Balthasar Serack [Gereards], een jongeman van lage adel, omstreeks 25 jaar oud, een dienaar van Caron, de voormalige burgemeester van Brugge, die kort tevoren vanuit Frankrijk de bevestiging had overgebracht dat Monsuer Monsuer, te weten de hertog van Anjou, overleden is, voor welke tijding hij nog geen zes dagen geleden dertig kronen onkostenvergoeding heeft gekregen uit handen van de Ontvanger-Generaal.
Op dinsdag 10 juli gebeurde het dat de prins, te Delft, in zijn logement van tafel opstond – waar hij geen andere vreemde gasten had gehad dan de burgemeester van Leeuwarden - , en de eetzaal uit wilde gaan, toen van opzij deze Balthasar op hem afkwam, en door zijn mantel heen een geweer afschoot, dat met drie kogels geladen was. Bij het schieten kwam hij dicht bij de prins, en raakte hem onder zijn hart, waarbij een van de drie kogels achter de schouder er weer uit kwam, en zo werden met één schot lever, longen en maag geraakt. De prins zeeg ineen tegen een jonkvrouw, die achter hem liep, en hij viel samen met deze dame op de grond. En dit waren zijn laatste woorden: ‘Och Heere, wees mij genadig, en bescherm mijn arme gemeente.’ Hierna gaf hij nog een of twee snikken en is toen gestorven. Hoe goed men zijn wonden ook onderzocht, die uitermate vreselijk en groot bevonden werden, en hoe men de wond ook uitzoog, er was geen remedie: de vrome, getrouwe heer moest erin blijven.
De verradelijke moordenaar meende te ontkomen en was al dicht bij de veste, toen hij door een page werd tegengehouden en er vervolgens vleen op afkwamen met wapens. Hij werd beschermd door een lange edelman uit de hofhouding van de prins, die bezwoer dat men hem levens in handen moest krijgen. Wat ook gebeurde. Hij werd goed vastgebonden. Toen hij werd weggeleid, vroeg hij: ‘Est il mort?’. Dat wil zeggen: ‘Is hij dood?’, daarmee op de prins doelend.
Ze zeiden: ‘Nee’. Hierover was hij treurig.
Het hele hof was vol droevenis en rouwbeklag, en iedereen die er was huilde. Alle harten waren vol deernis, zelfs een stenen hart zou bevangen zijn geraakt door dat huilen en weeklagen van de edele meisjes en vrouwen. Bovenal zag men groot hartenleed bij de jonge prinses , die, nu de prins op tafel was neergelegd, hem niet wilde verlaten. Het hele hof was vol van smart, de hele stad Delft was vol gerucht, de schutters waren meteen in de wapenen, alle hoeken en straten waren bezet. De stadsmuur en de poorten waren rondom gesloten, en werden bewaakt. (…)
De verraderlijke moordenaar werd meteen voorgeleid bij enkele heren: leden van de Staten, edellieden, en anderen die daartoe beroepen waren. Voor hen staande, werd hem gevraagd waarom hij dit feit gepleegd had. Waarop hij zeer brutaal antwoordde: als hij net niet al had gedaan, dan wilde hij het alsnog doen, met alles wat in zijn vermogen lag. De heren uitten dreigementen, en wilden alles van hem weten. Hij vroeg pen en inkt en beloofde zonder iets te verzwijgen alles te openbaren. Zo heeft hij alles bekend en hel hele verhaal begon zo, naar ik heb horen vertellen:
‘Ik Balthasar Gerards, een edelman, een geboren Bourgondië, beken dat ik dit plan al enige tijd geleden tegen de prins beraamd heb en dat ik mij bij een lid van de Raad van de prins van Parma verzekerd heb van de beloning van 25.000 kronen die in de ban van de prins door de koning van Spanje zijn uitgeloofd, Dit werd mij door de prins van Parma persoonlijk nog eens verzekerd. Op de vraag of ik mijn voornemen ook aan iemand heb geopenbaard, verklaar ik dat ik de principaal van de jezuïeten te Trier mijn zaak uit de doeken heb gedaan., en dat hij mij met mijn voornemen een goed vooruitzicht op de zaligheid heeft gegeven, en bovendien heeft hij mijn voornemen zeer geprezen. Daarna heb ik in Doornik een franciscaner monnik, met de naam Fredericus, in een biecht in kennis gebracht. Hij heeft mij daarin gesterkt, met zulk een genade, dat ik er in dit uur nog mijn rust in vind.’
Wat er verder in zijn bekentenis staat, zullen we nog wel te weten komen. Hij spreekt zeer brutaal en vermetel. Ik denk dat ze hem zijn moed nog wel zullen ontnemen. Want de volgende dag is de beul gekomen. Door dwang zal alles er hierna wel vollediger uit komen.
LIJKSCHOUWING VAN DE PRINS VAN ORANJE
'Meester Peeter Forestus ende Mr. Cornelis Busennius, Docteuren in de Medicynen der Stede van Delft, gevisiteert hebbende het Lichaam van Syne Excellentie, hebben verclaert, dat den Scheut is ingegaen, aende de slincke Syde, drie wingheren beneffens den Tepel van de Borste, ontrent een groot strootbreed neerwaerder dan den tepel staet, deur de vyfde ribbe, ende is voorts gepasseert door de Longher, daer nae deur de dunste membraneuse partye van het Middelrif, oft Diaphragma, ende van daer, deur de Crop van de Maeghe, ende also deur de zevenste ende achtste Ribbe, met quetsinghe over de slinkerzyde, hert aen de Spina dorsi, oft Paternoster van 't Rugghebeen, met twee gaten, met interstitie van een half stroot breet, weesende d'een groter dan d'ander.'
Reactie van de Staten van Holland op de moord op Willem van Oranje (uit de notulen 1584)
"10 juli
Na de middag omstreeks twee uur is Zijne Excellentie van tafel komend op de eerste nieuwe trap in zijn woning in Delft door een moordenaar, Balthasar Gerardts genoemd, doodgeschoten met een pistool geladen met drie kogels. Zijne Excellentie is volgens nader onderzoek terstond overleden na alleen nog gezegd te hebben 'Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple.' (Mijn God, Mijn God, heb medelijden met mij en met Uw arme volk).
11 juli na de lunch
Er is besloten, dat geen afgevaardigden naar Antwerpen gestuurd zullen worden, maar dat hen en ook de Staten van Brabant [...] het volgende bericht van bovengenoemd feit gegeven zal worden. 'Wij moeten U Edele bij deze berichten over het betreurenswaardige en lafhartige feit, dat heden na de middag omstreeks twee uur aan de persoon van Zijne Excellentie is begaan. Toen Zijne Excellentie van tafel kwam is hij met een kort pistool geladen met drie kogels doodgeschoten door een jonge man Balthasar Gerardts genoemd (hij is meteen na zijn daad gevangen genomen) [...] Hij bekende zijn daad gedaan te hebben voor de koning van Spanje en dat hij deze zaak eerst met een jezuïet in Trier en met een minnebroeder in Doornik, Gery genoemd, besproken had. ook had hij aan de prins van Parma geschreven [...], deze had hem naar zijn raadsheer verwezen [...]
Hoewel dit ongetwijfeld een groot verlies is voor het land - waarover wij allen zeer bedroefd zijn - toch hebben wij de moed om het algemeen belang te beschermen en niet te verslappen. Maar des te meer ... al die rechtvaardige zaken die wij tot nu toe met hulp van Zijne Excellentie zo voortreffelijk tot nut van ons allen, ter verdediging van onze vrijheden en privileges hebben voorgestaan, te beschermen en met Gods hulp tot een goed einde te brengen. [...] ook buitenlandse vorsten zullen ons hierbij steunen.
Wij hebben daarom het vaste vertrouwen dat [...] niemand zich zal laten verleiden met de Unie te breken [...] waarin wij ons allen verplicht hebben elkaar met alle middelen bij te staan. Hiermede, enz."
Balthasar Gerards sterft marteldood
Delft, 11-14 juli 1584
Door een Statenlid
Cornelis van Aerssen
Ondanks de snelle en uitvoerige bekentenis van Balthasar Gerards wilde men proberen door martelingen meet te weten te komen over eventuele medeplichtigen. Men was vooral bang dat de Fransen iets met de moord te maken zouden hebben. Cornelis van Aerssen, pensionaris van Brussel, deed in een aantal brieven aan zijn stadsbestuur verslag van de martelingen, die hij als afgevaardigde voor de Staten-Generaal van nabij kon meemaken.
[uit een brief van 11 juli 1584] Ik ben deze hele nacht en morgen aanwezig geweest bij de marteling van de misdadiger, en heb van mijn leven geen man met een grotere vastberadenheid en volharding meegemaakt. Nog geen ‘wee mij’ kwam er over zijn lippen, en hij heeft de hele foltering ondergaan zonder een woord te zeggen. Tijdens het verhoor heeft hij alle vragen op zeer correcte en samenhangende wijze beantwoord, waarbij hij af en toe vroeg:
Wat wilt u van mij? Ik ben bereid zelfs de wreedste dood te sterven. Niets had me van mij daad kunnen weerhouden en als ik vrij was, zou ik het zo weer doen, al moest ik duizend doden sterven.’ Meer heeft men niet uit hem gekregen, behalve dat hij zijn daad heeft voorbereid met d’Assonleville, in opdracht van de hertog van Parma. De Staten waren zeer bezorgd, omdat zij vreesden dat hij in dienst van een andere partij had gehandeld. Maar God zij dank is het tegendeel het geval, wat ons weer goede moed geeft. Hij si ook degene die hier het bericht over de dood van Zijne Hoogheid [de hertog van Anjou] heeft gebracht. Hij bekent dat hij in Frankrtjk, in het huis van Caron, zodanig heeft geïntrigeerd dat hij door deze hierheen is gestuurd met genoemd bericht en daarna nog eens om zijn daad te begaan. Als reden noemt hij het feit dat de prins van Oranje de Pacificatie van Gent heeft verbroken, en bovendien hoopte hij hierdoor het land terug te brengen binnen de rooms-katholieke kerk, waartoe het dertig jaar geleden nog behoorde. Ik zal Uwe Edelen zo spoedig mogelijk behalen wat hier verder geschiedt. […]
[uit een brief van 14 juli 1584:]
Deze brief dient slechts om u op de hoogte te stellen van het feit dat de moordenaar van de prins hedenmorgen ter dood is veroordeeld, nadat hij driemaal op verschillende wijzen was gefolterd. Daarbij had hij niet méér bekend dan wat ik u reeds in mijn twee voorgaande berichten heb geschreven en tevens in een uitgebreid verslag aan de staten van Brabant heb verhaald, die ik met klem heb verzocht u een exemplaar daarvan te sturen (en ik hoop aldus is geschied), ervan uitgaande dat men het afschrift niet heeft behouden. Na de terdoodveroordeling is de moordenaar onverwijld terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: allereerst is hij op een schavot geleid en gekleed aan een paal gebonden. Voor zijn ogen heeft men het pistool waarmee hij zijn daad had begaan in stukken gebroken en aan het volk getoond.
Daarna is hij losgemaakt, uitgekleed en geblinddoekt opnieuw aan de paal gebonden.
Vervolgens heeft men zijn rechterhand (die waarmee hij het misdrijf had gepleegd) tussen een roodgloeiend wafelijzer geklemd, totdat deze bijna helemaal verbrand was.
Daarop is hij zesmaal met gloeiende tangen bewerkt.
Toen dit was geschied, is hij losgemaakt en nog levens op een bank uitgestrekt. Nu heeft men zijn geslachtsdelen afgehakt, zijn buik ongeveer tot aan zijn borst opengesneden, zijn ingewanden naar buiten getrokken, de onderste helft daarvan bijeengedrukt en vervolgens weggesneden. Tijdens dit alles is hij flink en bij zinnen gebleven, en heeft hij zachtjes gebeden, zoals aan het bewegen van zijn mond en lippen te zien was.
Nadat zijn borst was opengekliefd, werd zijn hart kloppend en wel uitgerukt en in zijn gezicht gesmeten. Op dat moment zag men hem de geest geven.
Ten slotte is hij gevierendeeld; zijn stoffelijke resten zullen aan de stadswallen worden gehangen.
Hij heeft al deze martelingen doorstaan zonder ook maar één keer ‘wee mij’ te roepen of een kreet te slaken, zonder zelfs maar lichaamsdeel terug te trekken of te bewegen.
Toen zijn armen waren losgemaakt, heeft hij met zijn hand, die zoals gezegd verbrand was, twee of drie keer naar de menigte het kruisteken gemaakt.
Nadat hij gistermiddag met een paar vetleren schoenen aan voor het vuur was geplaatst, had hij het roosteren van zijn voeten bijna twee uur lang op dezelfde wijze doorstaan.
Evenzo was het hem vergaan toen men lange pinnen tussen zijn nagels had gestoken.
Niemand begrijpt hoe het mogelijk is dat hij dit alles verdroeg. Maar hij was dan ook uiterst vastberaden, en men heeft nog nooit zoiets gehoord, zoals u uit dit relaas wel hebt kunnen opmaken.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten